Hoe leer je een vreemde taal?

De meeste mensen leren een of meerdere vreemde talen als ze op de middelbare school zitten. Sinds jaar en dag worden Engels, Frans, Duits en soms Spaans, Russisch en Arabisch onderwezen aan onze leerlingen op vmbo, havo en vwo. Maar wat betekent het om een vreemde taal te leren, en hoe leer je die eigenlijk?

Mijn ouders, beiden nu voor in de 60, hebben hun Engels, Frans en Duits via de zeer beproefde grammatica-vertaalmethode geleerd: eindeloos regels en rijtjes stampen, daarna zinnen van en naar de vreemde taal vertalen en maar mondjesmaat oefenen met spreek- en gespreksvaardigheid. Kennis van de grammatica en rijtjes vervoegde werkwoorden of voorzetsels met de 3e of 4e naamval kunnen reproduceren was belangrijker dan je kunnen uitdrukken in de taal die je leerde.

Deze erfenis zie ik nu bijna dagelijks terug in mijn werk als docent en taaltrainer: regels kennen geeft zekerheid, maar leidt uiteindelijk niet tot vaardige taalgebruikers die de vreemde taal met vertrouwen spreken. Als je dan als volwassene, ergens onderweg in je carrière, opnieuw een vreemde taal wilt leren, is het begrijpelijk dat je dan niet 1-2-3 overstapt naar een relatief nieuwe, maar even beproefde, communicatieve benadering.

En dat de grammatica-vertaalmethode diep zit, merk je ook in de manier waarop jonge docenten in opleiding hun eerdere leerervaringen met vreemde talen meenemen in de wijze waarop zij hun onderwijs vormgeven. Wat vertrouwd is, hoef je niet te veranderen, zelfs als je merkt dat je leerlingen moeilijk te motiveren zijn de te leren taal echt te gaan spreken. Natuurlijk leren ze ook van Kwakernaak, Staatsen, Westhoff, Neuner en Krashen dat de communicatieve aanpak betere resultaten oplevert als het aankomt op de communicatie in een vreemde taal, maar leidt de kennis van hun theorieën ook tot ander en beter onderwijs?

Als we vinden dat leerlingen intercultureel competent en taalvaardig moeten zijn, zou juist daar de aandacht moeten liggen. Terug dus naar de communicatieve taalsituaties die je via een logische opbouw leert, met in je achterhoofd de in het Common European Framework of Reference (CEFR) beschreven can-do statements. Dat doen de meeste hedendaagse leergangen voor het vo overigens ook al in hun opzet: grammatica, woordenschat en kennis van land en samenleving worden allemaal aangeboden in de context van te leren taaltaken binnen een specifieke situatie. Daar zal het probleem dan ook niet liggen, maar waar dan wel?

Misschien zit het hem erin dat de meeste mensen de rol van docent/leraar/trainer nog echt zien als die van verstrekker of overbrenger van kennis en niet als coach of facilitator van het leerproces. Overbrengen van grammatica voelt vertrouwder aan, omdat je daar je expertise ervaart: de jaren die je zelf hebt besteed aan het leren ervan, komen terug in de vertrouwdheid waarmee je de kennis overdraagt. Maar bij alle kennis die je overdraagt, moet je je afvragen wat je leerling (of lerende trouwens) ermee kan en moet. Hoe perfect moet hij de regels voor regelmatige en onregelmatige werkwoorden uit zijn hoofd kennen om zich te kunnen uitdrukken in die vreemde taal?

Mij hoor je overigens niet zeggen dat je grammatica-onderwijs volledig over boord moet gooien, hoor. Enige mate van functionele kennis van de grammatica is altijd praktisch, vooral als je op een hoger niveau moet of wilt gaan communiceren. Je gaat de taal creatiever gebruiken en moet er dus op vertrouwen dat de onderliggende patronen op het niveau van woord en zin goed ingeslepen zijn. Maar voor je dat niveau bereikt, zou je wat mij betreft meer aandacht moeten besteden aan de middelen die je in staat stellen met moedertaalsprekers van die vreemde taal te communiceren: chunks, standaardzinnen en formules die je aanvult met de gepersonaliseerde informatie die je wilt overbrengen.